Wie is hier nu de zuurpruim?
Een doordeweekse ochtend in juli. Samen met Leo ben ik vanuit Gouda onderweg naar vrienden in Deventer. Tegenover me komt een vrouw zitten. Soms kijk je naar iemand en denk je binnen twee seconden: die heeft vandaag geen zin in de wereld. Zo ook bij haar. Maar wat is het dan dat haar gezicht zo nurks maakt? Ik observeer haar zo onopvallend mogelijk. Het zijn niet haar vele rimpels, die vertellen vooral dat ze heeft geleefd. Nee, het is haar blik en het zijn haar mondhoeken, die permanent naar beneden lijken te wijzen. Alsof ze al heel lang niets meer is tegengekomen dat haar kon bekoren.
We zitten in de trein van tien uur. Het is gemiddeld druk. Er gebeurt eigenlijk niets. Ik lees wat in een boekje. Zij draait voortdurend aan haar oorlel. Of eigenlijk aan haar oorbel. En ze kijkt. Niet alleen naar mij. Naar iedereen. Mensen die met elkaar praten – en dat mag, het is tenslotte geen stiltecoupé – krijgen een blik die bijna kan doden. Achter haar laat iemand iets vallen. Volgens mij de deksel van een beker. Ze draait zich om en werpt ook diegene 'de blik' toe. Ze kijkt van de een naar de ander. Alsof niemand het echt goed kan doen.
In Utrecht staat ze op. Ik denk dat ze uitstapt. Maar nee. Ze verhuist naar een andere plek. Ook vanaf daar blijft ze de hele coupé in de gaten houden. Ook mij. Regelmatig kruisen onze blikken elkaar. Ondertussen haalt ze een boterhammetje uit een plastic zakje. Ze eet zonder te knoeien. De rest van de reis verloopt net zo vlekkeloos.
In Deventer stappen we allebei uit. Op het perron draait ze zich naar me om en zegt vriendelijk: 'Nog een fijne dag.' Ik wens haar hetzelfde.
En ineens weet ik niet meer zo zeker wie van ons twee de zuurpruim is.
"Het is met karakters als met wijnen, alleen de betere soorten winnen met de jaren aan zachtheid wat zij aan kracht verliezen; de anderen worden zuur."
— Charles Maurice de Talleyrand (Frans diplomaat)